Publicidade ▼


 » 

dicionario analógico

vrouwtje, vrouwtjesdier, wijfje, wijfjesdier, zijfêmea - roddeltante - dam (en) - meisjesachtig, mesjesachtigjovem - shelduck (en) - koe, koebeest, koetjeboe, koetje-boevaca - damhinde, etc., moerhaas, moerkonijn, ree, voedster, wijfjesreefêmea, fêmea do veado, veado fêmea - leeuw, leeuwinleoa - tijgerintigre fêmea - hommelkoningin, moederbij - jonge merrie, merrieveulen, veulenégua - zeugporca - koebeest, koetjeboe, koetje-boe - ooi, schaap, schapencarneiro, ovelha - ramaríete, carneiro - bok, geitbode, cabra - god, godheid, godinDeusa - Jewess (en) - Englishwoman (en) - chaperongovernanta - brutaaltje, del, dweil, echtbreker, lellebel, slet, sloerie, snol, teefadúltera - ballerina, ballerino, balletdanserbailarina - beauty, schone, schoonheidmulher bela - recém-casado - blauwkous, geleerde vrouwintelectualóide - zakenvrouwempresária, mulher de negócios - meisjemoça - bijvrouw, bijzit, concubine, courtisane, haremvrouw, maintenee, odaliskconcubina - gravincondessa - pin{#169}upfoto de cartaz, vedete de cartaz - domme koe, karrenpaard, karrepaard, molenpaard, nijlpaard, schommel - dairymaid, milkmaid (en) - daughter-in-law (en) - courtisane, demi-mondaine - gescheiden vrouwdivorciada - douairièreviúva dotada - keizerinimperatriz - femme fatale, hartenbreekster, lokker, lokvogel, vamp, verleider, verleidster, verlokkersedutora, tentadora - chick, deern, deerne, dochter, dochterlief, meisje, meiske, mop, moppie, natel, niese, troel - geishagueixa - afilhada - doopmoeder, meter, peetmoeder, peettante, petemoeimadrinha - huismoeder, huisvrouw, naaigarnituur, necessairedona de casa, dona-de-casa - dame, edele, edelman, edelvrouw, lady, vrouw van adel, vrouw van een pairbaronesa, senhora - buste, gidsland, mannequin, model, pasdame, paspop - schoonmama - nymphet (en) - party girl (en) - diva, prima{#169}donna, prima-donnaprimadona - koningsdochter, prinsesprincesa - kroonprinses, troonopvolgsterprincesa herdeira - salesgirl, saleslady, saleswoman (en) - schoolmeisje - kloosterzuster, non, zus, zusterirmA, irmã, soror - schoonzus, schoonzus(ter), schoonzuster - assepoes, huissloof, sloofcriada - beauty, bout, engel, honnepon, honneponnie, knock-out, minnares, moot, opkoper, schone, schoonheid, seksbom, uitdrageranjo, beleza, formosura - schoondochter, stiefdochter, stiefkindnora - gastvrouw, stewardessaeromoça, comissária, comissária de bordo, hospedeira de bordo, hospedeira do ar - robbedoes, wilde, wildebras, wilde meidmaria-rapaz - draak, duivelin, feeks, furie, harpij, heks, helleveeg, hollewaai, karonje, moervos, viswijf, vos, xantipperaposa - wasvrouwlavadeira - min, voedster, vroedvrouw, zoogsterama, ama de leite - hoerenjong, wed., weduwe, weduwvrouwviúva - Mevr, mevrouw, Mwsenhora, senhora dona, Sra - wonder woman (en)[Domaine]

-

 


   Publicidade ▼