Publicidade ▼


 » 

dicionario analógico

départ, sortieafreis, afscheid, het gaan, vaarwel, vertrek, weggaan - admission, entréeambtsaanvaarding, binnenkomst, dienstaanvaarding, entree, indiensttreding, intocht, intrede, opname - atterrissagelanding - disparitionverdwijning - retraitopname, terugtrekking - émigrationemigratie, landverhuizing, uitwijking - immigrationimmigratie, pascontrole, paspoortcontrole - sortieuitrit - esquive, pas de côtéevasie, flous, omzeiling, ontduiking, ontwijking, uitvlucht, vermijding - manœuvre - évasionontvluchting, uitbraak - exodeexodus, leegloop, uittocht - surfacingoppervlaktebehandeling - convergenceconvergentie - rapprochement - avance, avancement, avances, cours, progressionprogressie, voorschot, voortgang - locomotion, motricitémotoriek, voortbewegen, voortbeweging - arrière, arrière, à l', derrière, en arrière de, sur l'arrière, sur l'arrière de, vers l'arrièreachter - déplacement, voyagereis - circumnavigationomvaart - endurance - trajet, voyagedagreis, het reizen, reis, reizen, tocht - odysséeodyssee - expédition de chasse, safaricampagne, jachtexpeditie, jachtpartij, safari, veldtocht - prospectionverkenningstocht - grand tour - en route - pèlerinagebedevaart, pelgrimage, pelgrimsreis, pelgrimstocht - correspondanceaansluiting - alpinisme, escaladealpinisme, bergsport - escalade, varappe - descenteafdaling - retour - à la hâte, excès de vitesse, précipitammenthet te snel rijden, speed - accélérationacceleratie, acceleratievermogen, versnelling - adduction, citation - dépassementinhalen - tremblement, vibragetrilling - émigreremigreren, expatriëren - déployer, éployerafrollen, afwikkelen, afwinden, loswikkelen, ontplooien, ontrollen, openrollen, openspreiden, uitrollen, uitslaan - aligneropstellen - écouleruitlopen, uitmonden, uitstromen, uitvloeien, vallen - confluentsamenvloeiend - frictionfrictie, wrijving, wrijvingsweerstand - barathon - dérobéeheimelijkheid - émigration, migrationmigratie, trek, verhuizing, volksverhuizing - visitebezoek, huisbezoek, insp., inspectie, inspectiedienst, kerkvisitatie, visitatie, visite - hauthoog - baslaag - tirerdichttrekken - tirer - ouvrirontgrendelen, ontsluiten, ontvouwen, opendoen, open doen, openen, openmaken, openvouwen, openzetten, uitvouwen - fermer, se fermerdichtgaan, sluiten - fugitif, momentané, non solide à la lumièrekortstondig - embrouiller, emmêlerin de knoop maken, in de war brengen, in de war maken, verfomfaaien, verwarren - débrancher, déconnecter, éteindreafzetten, uitdoen, uitdraaien, uitknippen, uitschakelen, uitzetten - de bord, embarqué, en volin de lucht - en mouvement/marchein beweging - cultiver, travaillerbebouwen, cultiveren, ontginnen - s'acheminergaan - circuler, se déplaceromgaan, op de been - coulisser, déraper, glisser, glisser entre les doigtsafglijden, glibberen, glijden, glippen, laten glijden, onderuitglijden, slippen, uitglijden, wegglijden - chanceler, tituber, vacillerwankelen - bourlinguer, de la faire randonnée pédestre, errer, se promener, vagabonderdolen, dwalen, landlopen, omzwerven, ronddolen, ronddwalen, rondtrekken, rondzwerven, trekken, zwalken, zwerven - chavirer, se retournerkantelen, kapseizen, kenteren, omslaan - flotter, voleterafdrijven, dobberen, drijven, hangen, meedrijven, opstuiven, stuiven, zweven - avoir du jeu, jouer - débarquer, descendre à terreaan land gaan, aan wal gaan, landen, ontschepen, van boord gaan - positionner - suivreachternarijden, narijden, volgen - mener, précéderlaten voorbijgaan, passen, voorafgaan, voorafgaan aan, voorgaan, vooruitgaan - se quitter, se séparerafsplitsen, uiteengaan - concentrer - dépasserlangskomen, langsrijden, passeren, voorbijgaan, voorbijkomen, voorbijlopen, voorbijrijden, voorbijvaren - enfermerafkomen - échapper, fuir, prendre la fuite, s'enfuir, se dégager de qqch.ontvlieden, ontvluchten, spankeren, uitbreken, vlieden, vluchten, weglopen, wegvluchten, zich losmaken - prendre, se charger degeven, leiden - changeroverstappen - séismal, séismique, sismal, sismiqueaardbevings{#169}, seismisch - éolien - pleuvoir à boire debout, pleuvoir à flots, pleuvoir à seaux, pleuvoir à verse, pleuvoir comme vache qui pisse, pleuvoir des cordes, pleuvoir des hallebardes, qualifier, tomber à seaux, tomber à versegieten, hozen, kletteren, pijpenstelen regenen, pijpestelen regenen, plasregenen, plensregenen, plenzen, regenen dat het giet, sausen, slagregenen, storten, stortregenen, zeiken - getij{#169} - jet - hajjbedevaart, had(z)j, hadj, pelgrimage, pelgrimsreis, pelgrimstocht - déraillementderaillement, ontsporing - marche, mouvementbeweging - passage - changement de lieu, déplacement - circulationcirculatie - diaspora - ondulation, ride, vaguelettegolfje, lattenbodem, repel, rimpel, rimpeling - vague gravitationnelle - signal sinusoïdal - oscillation, tremblement, vibration - seiche - baisse, chutedaling, duikeling, instorting, val - éclipse, occultationeclips, eklips, immersie, verduistering - éclipse de Soleil, éclipse du Soleil, éclipse solairezoneclips, zoneklips, zonsverduistering - éclipse de la Lune, éclipse de Lune, éclipse lunairemaaneclips, maaneklips, maansverduistering - total eclipse - baisse - escalade, varappebeklimming, beklimmming, klim - haute mer, marée haute, pleine merhoogwater, vloed - mascaret - baïne - laharlahar - circulationstroom - torrent - torrentstortvloed - réplique - giclée, jaillissement, jetopwelling, sprint, straal - fuitelekkage, wan - liftspin, topspin - avance, avancement, progressionprogressie - diffusion, étalement, étenduedistributie, reikwijdte, verbreiding, verspreiding - cavalcade, cortègecarnavalsoptocht, cavalcade, cortège, optocht, ruiterstoet, stoet - sillagegolfslag, slipstream, wasbeurt - bise - couche limite - mouvement brownien - dérive des continents - chinook - harmattanharmattan - cyclose - force d'impulsiondrijfhout, drijfnet, drijfwant, stuwkracht - tourbillon de sablezandhoos - sirocco, siroco, tempête de sablesirocco, stofstorm, zandstorm - Pâques, vent d'estbovenwind, oostenwind, Paasfeest, Pasen - grand vent, tempêtenoodweer, storm, stormwind - cyclone, hurricane, ouragancycloon, hoos, orkaan, tornado, wervelstorm, wervelwind, windhoos - courant d’altitude, courant-jetstraalstroom - énergie cinétique - mistralmistral - vent du nordnoordenwind - courant marin - gulf stream - courant de kuroshio, courant de kuro-shivo, kuroshio - chute de pluiehemelwater, neerslag, regenbui, regengordel, regenval, regenzone - semoun, simounsamoe, samoem - chute de neige, neigesneeuw, sneeuwbui, sneeuwval - virga - southerzuidenwind, zuiderstorm - alizé, vent alizépassaat, passaatwind - ouragan, typhontaifoen, tyfoon, wervelstorm - écoulement turbulent - écoulement laminaire - courant d'air, tirageluchtstroom, tocht - vent d'ouestwestenwind, westerstorm - tornade, tourbillondwarrelwind, hoos, wervelwind, windhoos - cataphorèse, électrophorèseelektroforese - mouvementbeweging - instabilité, palpitation, tremblementbeverigheid, beving, trilling, vibratie - occupation, tâchewerkzaamheid - extinctionhet uitdoven - reposstilstand - anticyclone, zone de haute pressionanticycloon, hogedrukgebied[Domaine]

-

 


   Publicidade ▼