Publicidade ▼


 » 

dicionario analógico

courir, répandre, se répandrein omloop komen, voortwoekeren - traverser - se déplacer doucement, se déplacer prudemmentbehoedzaam dragen - whish (en) - nadar (pt) - swap (en) - seek (en) - ganir (pt) - voler - flotter, voguer - couvrir - flotterrondspoken - aller, se déplacer - survolerovertrekken, overvliegen - circuler, se déplacer, voyager - acheminergaan - faire - faire du raft, se déplacer en radeau - circuler, se déplacerdoorlopen, omgaan, op de been - repair, resort (en) - aller à sa vitesse de croisière, croiser, voyager, voyager tranquillementkruisen - parcourir, traverserbereizen - aller vers, venirhalen, komen - tourneromheengaan, omzeilen - avancer lourdement, pousserrollen - push (en) - voyager avec un but - flotter, tournerwapperen, zich buigen, zich krommen - égarer, vagabonderafdwalen, dolen, dwalen, landlopen, omzwerven, ronddolen, ronddwalen, rondtrekken, rondzwerven, trekken, zwalken, zwerven - marcher, se promenerin . lopen - décrire des méandres, faufiler, se faufiler, se frayer un chemin, serpenterkronkelen, meanderen, slingeren, zich slingeren, zigzaggen - accélérersprinten, spurten - marcher à quatre pattes, ramper, se traînerkruipen, rondkruipen, zich wurmen - bousculer pour avoir qqch., se précipiterzich verdringen - glisserglijden, schuiven - roulerrollen - glisserglijden - rebondirkaatsen, ketsen, stuiten, stuiteren - se déplacer rapidement - dériveraan de oppervlakte drijven, afdrijven, bovendrijven, dobberen, drijven, hangen, meedrijven, opstuiven, stuiven, zweven - jouer, se mouvoir - nagerdobberen, drijven, zwemmen - marcher, marcher à piedgaan, lopen, treden, wandelen - prendre, tournerafslaan, draaien, een bocht maken, indraaien, keren, omdraaien, omkeren, omleggen, omwenden - tourner, tourner autouromreizen - parcourir, se déplacer à travers - dériver, égarer, errer, être emportéafdwalen, bedekken, loslopen, meedrijven, verdolen, verdwalen - courir - faire un pas, marcherafstappen, banjeren, stappen, stiefelen - aller en auto, motoriser, voyager en véhiculeberijden, per auto reizen - déplacer en voiture, rouler, voyager en voiturerijden - faire du ski, skierskiën - volervliegen - avancer à la vapeurstomen - se déplacer lentementtaxiën - prendre le ferry, voyager par ferry - chevaucher, monterberijden, rijden - prance (en) - nageroverzwemmen, zwemmen - monter, s'éleverklimmen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opkomen, optrekken, opvaren, stijgen - ascensionner, faire l'ascension, gravir - dégravir, descendreafdalen, afgaan, bliksemen, dalen, donderen, donderstralen, duvelen, flikkeren, kletteren, kukelen, lazeren, mieteren, neerkletteren, ploffen, sodemieteren, vallen, zakken - faire de la chute libre, tomber en chute libre - sinuer, zigzaguerzigzaggen - suivreachternarijden, narijden, volgen - avancer, passer, progresseraflopen op, avanceren, doorlopen, doormarcheren, toelopen op, voortgaan, voortschrijden, voorttrekken, vooruitgaan - aller en arrière, reculer, se replierachteruitgaan, achteruitlopen, achteruitschuiven, achteruitstappen, achteruitwijken, intrekken, terugtrekken, terugwijken, wegtrekken, zich terugtrekken - rétrograder - avancercontinueren, doorlopen, gecontinueerd, vervolgen, voortbouwen, voortgezet, voortzetten - faire machine arrière, reculerachteruit doen gaan, achteruitgaan, achteruitrijden, achteruitwijken, terugkrabbelen - panoramiquerzwenken - suivreachternarijden, nakomen, narijden, volgen - mener, ouvrir, ouvrir la marche, passer devant, précéderlaten voorbijgaan, passen, voorafgaan, voorafgaan aan, voorgaan, vooruitgaan - courir après, filer, poursuivre, suivre, suivre la piste de, suivre la trace deaangaan achter, achternagaan, achternalopen, achternarijden, achterna zitten, achtervolgen, dekken, het spoor volgen van, opdrijven, schaduwen, volgen - refouler, retourner, retourner à, revenirinrukken, teruggaan, terugkeren, terugkomen, terugkomen op, teruglopen, terugsturen, weeromkomen - déraillerderailleren, ontsporen - affluer, venir en massezwermen - accompagner, aller avecbegeleiden, escorteren, geleiden, meegaan, meegaan met, meekomen met, meelopen met, meereizen, meetrekken, meevaren, vergezellen - avancer difficilement - circulercirculeren - bouger en cercle, cercler, encercler, entourercirkelen, omcirkelen, rondcirkelen - angle (en) - passer à travers, passer par, percer, traverser - langskomen, langsrijden, passeren, passeren voorbij gaan, voorbijgaan, voorbijkomen, voorbijlopen, voorbijrijden, voorbijvaren - aller à bride abattue, aller à fond de cale, aller ventre à terre, aller vite, se dépêcher, se hâter, se presser - faire un excès de vitesse, rouler vitete snel rijden - vrombir - drive (en) - aller à toute vitesse, aller à une vitesse folle, filer, foncer, passer comme un éclair, se hâterafstuiven, doorsnellen, doorvliegen, ijlen, jakkeren, koersen, racen, razen, reppen, snellen, spoeden, stormen, storten, stuiven, vliegen, voorbijflitsen, voorbij flitsen, zoeven - aller en traînant les pieds, marcher avec peine, se traînerafsjouwen, afsukkelen, slepen, strompelen - faire la navette - bouger en sifflant - aller vite, emmener immédiatementsnel verwijderen, vervoeren, wippen - aller à plein régime, aller à toute vitesse, aller bon train, aller un train d'enfer, aller vite, filer, foncercrossen, pezen, racen, scheuren, sjezen, voortdaveren - encercler - fendre - déborderomlopen, omtrekken, rondgaan - se propager, se répandrevoortplanten - s'approcher - changeroverstappen - swash (en) - aller d'un bon pas, marcher d'un bon pasharddraven - fouler, mettre le piedbegaan, betreden, stappen, trappen - andar (pt) - foncer, grondersuizen - se retirerzich terugtrekken - passer en sifflant, sifflerfluiten, zoeven - croiser, voyager d'île en île - sillonner - chanceler, faire une embardée, vacillerslingeren - joeirar, peneirar (pt) - fall (en) - drag (en) - circuler - bang (en) - précessionner - andar, ir, viajar (pt) - monter àrijden - snowshoe (en) - beetle (en) - tirer - nadar (pt) - tram (en) - caravan (en)[Spéc.]

déplacement, flux, mouvementbeweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - locomotion, motricitémotoriek, voortbewegen, voortbeweging - locomotion, motricitémotoriek - mouvementactie, beweging - changement de lieu, déplacement - voyageurreiziger - porteur - allons-y!daar gaat 'ie - locomoteur, locomotifbewegings-[Dérivé]

voyagerdoorreizen, op trektocht gaan, reizen, rondreizen, rondtrekken, toeren, trekken[Cause]

se dirigerbijsturen, stevenen, sturen - aboutir, arriver à, atteindre, en arriver, rejoindrebereiken, komen tot, raken - manquerverzuimen - bouger, déplacerbewegen, verplaatsen, verroeren[Domaine]

déménagerverhuizen, vertrekken - gravir, grimper, grimper à, grimper sur, monterbeklauteren, beklimmen, bestijgen, klimmen, klimmen in, klimmen op, omhooggaan, omhoogklimmen, opklimmen, opstijgen, stijgen - coucher, décliner, descendre, sombrerneergaan, ondergaan, ondergang, zinken - abîmer, aller au fond, aller par le fond, couler, sombrerafzakken, kelderen, neergaan, ondergaan, zakken, zinken - écouler, être en cours, passerdoorkomen, ertussen liggen, omgaan, omkomen, slijten, verglijden, verlopen, verstrijken, vervlieden, vervliegen, vlieden, vliegen, voorbijgaan, voorbijglijden[Analogie]

tenir en place[Ant.]

aller (v.) • bewegen (v.) • doorreizen (v.) • gaan  • koersen (v. trans.) • se déplacer (v.) • se mouvoir (v.) • tijgen (v.) • voortbewegen (v. trans.)

-

 


   Publicidade ▼