Publicidade ▼


 » 

dicionario analógico

afwezigeabsent, absentéiste - air traveler, air traveller (en) - bezoeker, -komerarrivant - astronaut, astronaute, kosmonaut, kosmonaute, ruimtereiziger, ruimtevaarder, ruimtevaarsterastronaute, cosmonaute, spationaute - business traveler (en) - drager, toonderporteur - begeleider, begeleidster, medereizigeraccompagnateur - deelnemerimmigrant - voyageur aérien - suivant - allochtoon, buitenlander, buitenlandse, medelanderétranger, étrangère - hosteller (en) - aankondiger, bode, boodschapper, boodschapster, koerier, reisboek, reisgids, reisleidermessager - allochtoon, landverhuizer, medelander, migrant, seizoenarbeidermigrant - motorrijder, motorrijdstermotard, motocycliste - bougeur - musher (en) - inzitten, inzittende, motorcoureur, opvarende, passagier, passagiere, reiziger, rijder, schepeling, weggebruikerpassager - loper, voetganger, voetgangster, wandelaarpiéton - houtvlotter, vlotterdraveur - motorcoureur, rijdercavalier - rijdercycliste - hardloper, lopercoureur, coureur à pied - pannenspons, pannespons, schuurspons - bader, zwemmer, zwemsterbaigneur, nageur, nageuse - recreant, toerist, toeriste, vakantiegangertouriste, vacancier - passant - routard - bezoeker, bezoekster, dwaalgast, gast, gastspeler, iemand die belt, logé, logeergast, slaper, zwerfgast, zwerfvogelvisiteur, visiteuse - reiziger, reizigstervoyageur, voyageuse - clochard, dakloze, hobo, schooier, tramp, vagant, zwerfkat, zwervervagabond, vagabonde - reizigervoyageur, voyageuse - marskramer, scherts zwerver, zwerveritinérant - Marco Polo[Spéc.]

bewegen, doorreizen, gaan, koersen, tijgen, voortbewegenaller, déplacer, être en mouvement, mouvoir - circuler, se déplacer, voyager - doorreizen, op trektocht gaan, reizen, rondreizen, rondtrekken, toeren, trekkenvoyager - doorreizen, reizen, trekkenvoyager - bereizenparcourir, traverser - andar, ir, viajar (pt)[Dérivé]

reiziger (n.m.) • voyageur (n.m.)

-

 


   Publicidade ▼