Publicidade ▼


 » 

dicionario analógico

accompagnement, cooccurrence, événement concomitantaccompagnement, begeleiding, begeleidingsverschijnsel - avalanchelawine, regen - expérienceervaring - difficultékwestie, probleem, vraag, vraagstuk - gâterietraktatie - miraclegodswonder, mirakel, wonder - merveille, merveilleux, prodigebewondering, het wonderlijke, mirakel, wonder, wonderteken - trucding - épisodeepisode, voorval - contingence, éventualité, possibilitéeventualiteit - commencement, début - conclusion, finafloop, afwerking, einde, ontknoping, uiteinde - exceptionnel, sémelfactifeenmalig - événement périodique, événement récurent - changement, modificationafwisseling, alteratie, alternantie, alternatie, alternering, keer, variatie, variëteit, verandering, wending, wijziging - erreur informatique - accident, hasardaccident, auto-ongeluk, toeval, toevalligheid - feubrand, fik, uitslaande brand, vuur - incidentincident, voorval - décharge - cas, exempleaanleg, geval, instantie - mouvementactie, beweging - échec, ratéechec, falen, mislukking, misser - réussite - apparition - destin, destinée, sortfatum, fortuin, lotsbeschikking, lotsbestel, noodlot, providentie, voorbeschikking, voorbestemming, voorzienigheid - disparitionverdwijning - contactcontact - finish (en) - interruptioninterruptie, onderbreking - bruitgeluid, geluidje, kik, toon, woord - ligue, unionaggregatie, conjunctie, junctie, samenvoeging, unie, vereniging - événement médiatique - éclair - convergenceconvergentie - circonstance, occasionevenement - salveuitbarsting - déclenchement, éruptionhet uitbreken - contretemps, reverstegenslag, terugslag - aubaine, bénédiction, boom, coup de chancebof, bonus, braadjus, buitenkans, buitenkansje, explosie, geluk, gelukje, gelukstreffer, geschenk van de hemel, goudmijn, goudmijntje, kaan, mazzeltje, meevaller, melkkoe, stom geluk, toevalstreffer - chuteaanrijding - supervention (en) - disappearance (en) - débâcle, écroulementautopech, collaps[Spéc.]

arriver, dérouler, occurrer, passer, produire, survenir, tenirafspelen, gebeuren, gebeuren met of aan, geschieden, gevallen, omgaan, optreden, overkomen, passeren, plaatsgrijpen, plaatshebben, plaatsvinden, spelen, voltrekken, voorkomen, zich afspelen[Dérivé]

gebeurde (n.) • gebeurtenis (n.f.) • geschiedenis (n.f.) • het gebeuren (n.) • occurrence (n.f.) • ontwikkeling (n.f.) • voorval (n. neu.)

-

 


   Publicidade ▼